Wat moet je drinken tijdens een training?


Sportdranken zijn in te delen in drie verschillende groepen: hypotone, hypertone en isotone sportdranken. De duur en de intensiteit van de training bepalen welke drank je het beste drinkt. Wat alle sportdranken gemeen hebben is dat ze hydrateren maar ze verschillen door hun concentratie koolhydraten en elektrolyten (natrium, kalium,…).

De concentratie opgeloste deeltjes in een hypotone sportdrank is lager dan in het bloed. Hierdoor wordt het vocht in een hypotone sportdrank beter en sneller opgenomen door het lichaam. Het levert dus veel vocht maar weinig koolhydraten. Een voorbeeld van een hypotone sportdrank is water, te herkennen aan de blauwe dop.

  • < 4 g koolhydraten per 100ml
  • Bij inspanningen van < 1 uur

Een isotone drank heeft evenveel deeltjes als je bloed en wordt daarom heel gemakkelijk opgenomen en blijft minder lang in je maag zitten. Het levert veel vocht, maar ook energie. De drankjes zijn vaak te herkennen aan hun groene dop.

  • 4-8 g koolhydraten per 100 ml
  • Bij inspanningen > 1 uur bij gemiddeld tot warm weer

Een hypertone drank (energiedrank) is geconcentreerder en bevat meer deeltjes dan het bloed. Hierdoor wordt deze drank trager opgenomen dan water. Deze drank blijft langer in de maag en kan voor maag-en dramklachten zorgen, zeker in warme omstandigheden of bij zeer intensieve inspanningen. Hierdoor is het doel van deze sportdrank niet om vocht te leveren maar om de verloren energie terug aan te vullen. Hypertone dranken hebben meestal een oranje dop.  Vaak zijn limonades en vruchtensappen  ook hypertoon.

  • > 8 g koolhydraten per 100ml
  • Bij inspanningen > 1 uur bij koud weer of na het sporten

Terug naar overzicht